Grand document
From Fina Wiki
- Imported from"Imported from" is a predefined property that describes a relation to an <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Import_vocabulary">imported vocabulary</a> and is provided by <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Special_properties">Semantic MediaWiki</a>. dc:description (dc | Dublin Core Metadata Element Set, Version 1.1)
- Has preferred property label"Preferred property label" is a declarative predefined property to specify a <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Preferred_property_label">preferred property label</a> and is provided by <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Special_properties">Semantic MediaWiki</a>.
- Has property description"Property description" is a predefined property that allows to describe a property in context of a language and is provided by <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Special_properties">Semantic MediaWiki</a>.
- Original passage from the "Grand document". (en)
- Originalpassage im "Grand document". (de)
Name der Seite. (de)
F
-Lettre du 21 avril 1772 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hier nevens gaan te rug de twee missiven van de Heeren Fagel en Dutens. Zie hier de ware toedragt der zake van de drie fraaje medailles. Veele maanden geleeden komt zeker Heer bij mij, en vraagt mij de waarde van 12 zilvre medailles dewelke buiten s’lands bij geval door deszelfs neef gekocht waaren. Onder deze 12 bevonden zig de drie Griexe in questie zijnde, de overige negen Roomsche Kijzers. Ik deed terstont voor de drie Griexe, dewelke ik nimmer gezien had, een bod zodanig, dat gemelde Heer mij daadelijk antwoorde dat hij op zig nam mij die 3 penningen voor de gebooden prijs over te laten. Uwe begrijpt ligtelijk dat ik ze op het ogenblik na mij nam en betaalde. De Heer Fagel vervolgens deze penningen ziende, en spreekende over Uwe en over de Heere Dutens, beloofde ik eindelijk aan den Heer Fagel deze drie penningen te zullen afstaan in gevalle hij door dezelven bij Uwe eene favorable negotiatie met den Heere Dutens nopens gegraveerde steenen, zoude kunnen te weeg brengen. Naderhand is Uwe ten mijnent geweest, en in dien tijt heeft de Heer Fagel over de drie penningen met regt gesprooken als of ze de zijne waaren, in hoop dat de gemelde negotiatie plaats mogte grijpen, dog de tijt daar na verlopende en alle schijn van negotiatie verdweenen zijnde, zo zijn mijne waarde drie steede penningen wedergekeert in handen van den regten eijgenaer. Ik zoude dezelve aan Uwe hebben afgestaan voor de twee goude penningen in mijne vorige gemelt, waar van ik de eene gaerne had wederom gehad en waar van de andre zoude gedient hebben voor een vriend. Dog zulks onmogelijk zijnde zullen wij van die onderhandeling afstappen. De dispositie van den Heere Dutens om zig voortaan op de Roomsche penningen te leggen is zo gunstig dat ik niet derve twijffelen of Uwe zal daar zonder bedenking alle mogelijk gebruik van maken. Ik heb abuis in den dingsdag gehad en zal Uwe den 21sten dezer met blijdschap ontfangen. Hebbe intusschen de eer met hoogagting te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaeme dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 21sten april 1772 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 51-52; Sluis 2017, lettre 12/57, p. 75-76).
-Lettre du 1 mai 1772 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hier nevens gaan de drie raare goude penningen, waar van de eene wel de aller raarste zal zijn van alle goude Roomsche penningen die Uwe bezit, en mogelijk de twee. Weinige uuren geleden had ik geene gedachten dezelve magtig te zullen werden, indien Uwe dezelve niet voor de 20 begeerde verzoek ik ze spoedig wederom. Het vreemde canaal waardoor zij mij geworden zijn, zal mij mogelijk nog andre canaalen aan de hand geven waarop nimmer gedagt hadde. Hiernevens gaat het memoritje rakende de Deensche vraag met opzigt tot de Elzeviers, waarop Uwe bij gelegenhijt eenig antwoord zal geven. De Heer Salgas is alhier met Milady Holderness gearriveert, zodat ik met ongedult enig Engelsch nieuws van Uwe verwagte. Blijve in die verwagting met haast, Wel Edele Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsame dienaar. Hemsterhuis. s’ Hage, 1 maij 1772 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 53; Sluis 2017, lettre 12/58, p. 77). +
-Lettre du 16 juillet 1773 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hebbe ter zijner tijt wel ontfangen de Verona Illustrata van Maffei, dog dewijl ik dat boek in folio bezit, zal ik Uwe bij de bekwaamste gelegenhijt de octavos weder doen geworden. Aanstaande sondag zal ik van zes uur af den geheelen aevond te huis zijn en Uwe met vermaak afwagten. Versoeke Uwe mede te brengen de Theodora, de ΑΔΕΛΦΩΝ ΔΗΜΩΝΣ, de ΑΡΣΙΝΟΕΣ, en de goude Lysimachus, en teffens het geen Uwe nieuws van dien aart mogt opgedaan hebben. Hope Uwe als dan te kunnen vertoonen een koper medaillon van Commodus en Crispina, over 40 à 50 jaaren tot Katwijk uit de zee gehaalt. Ik heb in korten tijt veel gezien dog wat ik zal krijgen weet ik niet. Indien Uwe hare reize zoude willen uitstellen zo verzoeke sondag morgen daar van door een lettertje verwittigt te worden, andersins wagte Uwe vast en hebbe in tusschen de eer volmaaktelijk te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaar, Hemsterhuis. s’ Hage, den 16den july 1773 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 54; Sluis 2017, lettre 12/61, p. 79-80). +
-Lettre sans date (fin 1773) (de Den Haag) : « Wel Eedle Heer en Vriend, Eergistren van Warmont alwaar eenige dagen had doorgebragt, te huis gekomen zijnde vond Uwes eerste missive. Om aan dezelve te beantwoorden dient, dat dit buitenplaatsje voor zo veel mij bewust is toebehoort aan den Heer Klein, dewelke blind geworden zijnde en zijn vrouw verlooren hebbende genoodzaakt is eene andre wijze van leven te zoeken. Dit plaatsje kan ik, als het zelve van buiten dikmaals beschouwt hebbende, voor de aller aangenaamste gelegenhijt die al in deze Provintie te vinden zoude zijn, en dit gevoegt bij het geen mij van het inwendige vertelt is, zoude mij, indien Warmont de helft nader aan s’ Hage geleegen was, onbetwisbaar hebben doen besluiten om dit plaatsje terstont voor mij te kopen. Ik hoor dat de minste prijs is f 5000. Zie hier alles wat ik van dit plaatsje weet. Huiden morgen uit gaande ontfing Uwes tweede missive, dog door noodsakelijke bezigheeden gedrongen leide ik dezelve ongeopent op mijn tafel neder. Na dat ik een half uur in de Raad was geweest ontfing ik twee boodschappen van den Hr. Vosmaer met beede om mij ten zijnent te vervoegen. Aldaar gekomen zijnde las hij mij een brief van de jonge Van der Schleij die mij in enig agterdenken bragt. Hij zeide mij dat hij geoordeelt had mij eerst te moeten spreeken vermits ik eertijts voor een vriend geld hadde gebooden voor zijn Cabinet, dat hij nog niet geresolveert was hetzelve te verkopen, dog dat echter de prijs zodanig konde zijn dat hij daar over heen zoude stappen. Ik antwoorde dat het waarhijt was dat ik hem f 6000 had gebooden en zulks nog gestand zoude doen, dog dat ik hem raadde van bij aldien hij f 6001 van een ander konde bekoomen, het Cabinet over te doen. Hij zeide mij provisioneel in secretesse welk prijs hij eisschen zoude en voor welke hij het zelve het naast zoude overlaten. Indien Uwe ernstig verlangt dat deze zaak zijn beslag krijge, is het volstrekt noodzakelijk dat hij niet alleen nu maar nimmer weete dat Uwe bieder of kooper is. Twee zaken hebbe hier nog bij te voegen, de eerste dat Uwe het Cabinet kopende, de Lysimachus niet in hetzelve zal vinden. De tweede dat ik omtrent de prijs nietweg kan of wil oordeelen, egter blijf ik bij het voormaals gezegde, dat zo wanneer ik Uwes collectie magtig was, ik binnen 24 uuren de zijne zoude bezitten zelf veel voor een prijs daar meerder drift en ijver, dan wijshijt uit te bespeuren zoude zijn. Bij aldien Vosmaer altoos onweetend blijve van de naam des koopers van zijn Cabinet, zal het gemis van die zeer twijffelagtige Lysimachus door den tijt merkelijk aan Uwes Penningkasse vergoed kunnen werden. Uwe gelieve mij intusschen te verwittigen hoe het met de zaak staat. Indien ik van mijne zijde ietwes verneme het geen we nodig heeft te weten, schrijf ik terstont. Waar mede blijve » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 55-56 ; Sluis 2017, lettre 12/62, p. 80-82).
-Lettre du 16 février 1774 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Uwe maakt zig een zeer valsch denkbeeld van mijne denk wijze ten opsigt tot de medailles van Vosmaer. De weg door Uwe ingeslagen heeft mij terstont niet behaagt. Echter heb ik in dezen meerder gedaan dan Uwe zelve van mij zoude gevergt hebben. Ik heb hem dagelijks gezien, en hem gezegt dat het eene waarhijt was dat ik f 6000 voor een vriend hadde geboden, dewelke mij versogt had volgens conscientie te handelen. Dat ik hem verseekeren konde dat ik volgens conscientie geen stuiver meerder zoude bieden. Dat het thans de gelegenhijt was om zig te ontdoen van eene liefhebberije die hem geheel niet geleek, en dat bij aldien hij ijmand dwaas genoeg mogte vinden om hem f 6500 te bieden, hij terstont dat bod moest omhelzen. Die Heer mogelijk denkende dat de een of ander Keizer of Kooning om zijne vermaarthijt zijn Penningkasse begeerde, zeide mij dat de prijs van f 8000 bepaalt was. Ik antwoorde daar op het geen zo onbescheiden een eisch verdiende. Wat nu Uwe bod van f 7000 betreft, hier over heb ik Vosmaer niet kunnen onderhouden vermits hij zulks gistren aevond nog niet wist. Zie hier het geen een van beiden zal gebeuren, dog aller waarschijnlijkst het eerste, namentlijk of dat hij van alle verkoping zal afzien, of dat hij het laten zal voor f 7000, mits te rug houdende drie penningen, en deze zullen zijn 1. de goude Lysimachus. Dubieus. 2. een valsch zilver penningje van Sertorius. 3. een valsche kopre penning van Syracuse. Deeze drie pennigen zal ik van hem ruilen en wat de twee laatste betreft zal Uwe ten allen tijde voor ses stuivers van mij kunnen bekomen zo ras ik dezelve ergens toe zal gebruikt hebben. Ik heb gistren avond de Griexe penningen nog doorloopen. Die van Smyrna zijn schoon, dog het bod van f 7000 is groot genoeg en zeer zeker boven de waarde bij aldien ijmand daar mede zoude willen beginnen. De Heer Klijn zoude gaarne zien dat Uwe zelf het plaatsje tot Warmond bezigtigen, als wanneer zig die zaak zig gemakkelijker zoude schikken. Hebbende de eer te zijn, wel edle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsame dienaar. Hemsterhuis. 16 febr. 1774 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 57; Sluis 2017, lettre 12/63, p. 82-83).
-Lettre du 27 juin 1774 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Uwe heeft haare penningen kas maar met attentie na te zien, om overtuigt te zijn dat ik de zelve zeer dikmaals bevoordeelt hebbe. Ik erken dat bij aldien ik de Arsinoe voor de ΚΟΡΑΣ gaf, zulks weder tot zeer merklijk voordeel voor die kas zoude zijn, dog of schoon ik uitreeckenen kan dat ik meerder dan de waarde van f 300 aan Uwe voor de ΚΟΡΑΣ gegeeven hebbe, zo is Uwe voorzeker thans zo wel als ik overtuigt dat dezelve uiterlijk maar f 28 waardig is. Zo dat om tweemaal met dezelve penning zo grovelijk geabuseert te zijn, mij niet te vergeven zoude wezen. Indien Uwe mij nevens de ΚΟΡΑΣ de Lysimachus van Vosmaer voor de Arsinae hadde aangeboden zoude ik mogelijk zulks in beraad genomen hebben, of schoon het herdenken van de Lysimachus mij mogelijke onaangename denkbeelden zoude hebben kunnen verschaffen, die mij voor altoos zouden hebben doen resolveeren om nimmer ruilingen van die natuur te doen. Echter aan den eenen kant geconsidereert hebbende de bijzondre gelukkige gelegenheeden dewelke in ses maanden gehad hebbe om mijne liefhebberij van gesneeden edle gesteentens, boven alle verwagting te kunnen voldoen, en daar door aangespoort zijnde om mij bij die liefhebberije te houden, en aan den andre zijde Uwe willende toonen dat ik het onaangename bij den koop van Vosmaers Cabinet gepasseert, vergeete, laate ik Uwe vrij om mij 12 goude rijders of 32 goude ducaten toe te zenden, met belofde van Uwe met de eerst volgende postwagen, of met de eerst volgende pakschuit de goude Arsinae te doen geworden. Voor het overige zal ik bij aanhoudenhijt Uwes Penningkas bij alle gelegenheden, en zonder aan Lysimachus te denken, tragten te bevorderen, in verwagting dat Uwe mij zal aan duiden het geen haar van antique steenen mogte voorkomen. Hebbe de eer te zijn met te niet doening van alle ongenoegen, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 27 juny 1774. Ik heb een kistje met medailles uit Switzerland ontfangen, dog moet het zelve nog een week of drie verzegelt laten tot de komst van den broeder des eijgenaars. Ik heb er geringe gedagten van. Waar blijft het boek tot Heraclea gevonden en bereids tot Napels gedrukt, en het welk Uwe mij zeide reeds onder wege te zijn » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 58-59; Sluis 2017, lettre 12/64, p. 83-85).
-Lettre du 29 juin 1774 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en waarde Vriend, Hier nevens gaat met enig leedweezen de Arsinoe voor f 150. Herinner mij thans niet meer daar voor aan Uwe betaalt te hebben. Wat het geld belangt zal hetzelve van Uwe in augustus eerstkomende ontfangen, ofte zo ik in tusschen eenige kleinigheden tot Amsteldam te betalen mogte hebben, zal Uwe hoop ik niet kwalijk nemen dat over haar tot die somme toe, disponeere. Versoeke ten spoedigsten kennis van den ontvangst dezer, en teffens eerstelijk of Uwe mij voor eenige dagen ter leen geliefd te zenden een koper penningkje van Trijphon, mits de kop volmaakt geconditioneerd zij. En ten tweeden gaat hier nevens het afdrukzel van een steen. Uwe gelieve de kop te collationeeren met hare Grieksche Kooningen hetzij zilver of koper, en zo Uwe eene medaille mogte vinden daar de gelijkenis kan weezen en werk compleet was (waar aan ik niet twijffele) gelieve Uwe mij dezelve insgelijks voor eenige dagen te doen toe komen. Zo neen, verzoek ik de Demetrius die ik eertijts gehad hebbe en onder Vosmaers penningen is te mogen zien, zal beide de penningen zo ras Uwe geliefd restitueeren. Ik beken de ΚΟΡΑΣ wat verongelijkt te hebben, dog echter zal die penning altijd twijffelagtig zijn om meer dan eene reden. Thans alle ongenoegen vernietigt zijnde, zo gelief Uwe mij eens opregt te zeggen haar oordeel over de Lyzimachus. N.B. ik zoude dezelve gemakkelijk hebben kunnen krijgen, dog de groote somme die Uwe voor die collectie betaalde gaf mij medelijden. Echter beken ik dat in Uwe plaats zijnde, ik Vosmaers penningen ook tot alle prijzen zoude hebben gekocht. Hebbe de eer volmaaktelijk te zijn, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes gehoorzaamste dienaar. Hemsterhuis. s’ Hage, 29 juny 1774 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 60; Sluis 2017, lettre 12/65, p. 85-86). +
-Lettre du 1 juillet 1774 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en waarde Vriend, Hebbe huiden morgen het pakje met de Demetrius en Tryphon wel ontfangen, en zal Uwe het een en ander in augustus weder ter hand stellen, of anders eerder toezenden na Uwe welgevallen. Wat Uwe Lysimachus betreft, ik heb dezelve van het eerste ogenblik af aan aangemerkt als een der aller schoonste en raarste gouden medaillons die op de waereld zijn, en Uwe zal nu geloof ik begrijpen, waarom ik alle andre gouden Lysimachi veragt hebbe. Ik ben met Vosmaer zo wel als immer te vooren, hij nog niet zeker zeggen welk Keyzer, Kooning of magtig Potentaat zijn Cabinet gekocht heeft, dog wel dat het een van de grootsten is. Ik hoop Uwe in het kort te zullen overtuigen dat de goude en de zilvre ΚΟΡΑΣ beide valsche penningen zijn, dog dit zij onder ons. Huiden morgen ontfing ik nevens Uwes missive een gegraveerde steen, het welk mij naar allen schijn op morgen of in de andre week zal noodzaken Uwe te verzoeken 12 à 14 ducaten aan toonder te betalen. Indien ik immer had kunnen denken zo fraeje gegraveerde steenen te zullen bezitten als thans hebbe zou ik eertijts zo veele schoone stukken aan vrienden hebben afgestaan. Hebbe de eer te zijn met alle agting, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 1 july 1774. Uwe zegt nietwes van het Grieksche boekje uit het Herculanum » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 61; Sluis 2017, lettre 12/66, p. 86-87). +
-Lettre du 21 août 1774 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en waarde Vriend, Hier nevens gaan terug de Demetrius en de Tryphon waar voor Uwe zeer verpligt blijve, gelijk mede voor de twee dissertaties van den Heere Dutens. Ik heb Uwe alhier met verlangen te gemoed gezien om Uwe het een en het ander zelf ter hand te stellen en uit haar zelve te hooren het vermaak waar mede Uwe zekerlijk de Lysimachus, Nicomedes en de Smyrnasche penningen heeft ontfangen. Ik hoop binnen kort tijding van Uwe overkomst te erlangen, en dat Uwe als dan haare beste goude medailles zal mede brengen om ons daar mede te vermaken. Ik zal daar en tegen Uwe enige steentjes vertoonen of schoon ik weet dat zulks voor haar, een voorwerp is, zo niet van veragting, ten minsten zeer onverschillig. Bij deeze gelegenhijt kan ik niet voor bij Uwe te bedanken voor de betalingen voor mij gedaan. Wat de bewuste penningen uit Switserland betreft ik heb dezelve eindelijk in tegenwoordig van den eigenaar een voor een naeuwkeurig geexaamineert, en vervolgens het geheele boeltje, uit discretie getauxeert op vier stuijvers boven de waardij van het metaal. Wat de Grijphus betrefd, ik hoop in het kort eene gelegenhijt te hebben om die magtig te worden. Uwe kan versekert zijn van mijn ijver ten faveure van hare penningkasse. Ik heb met vermaak bij Uwes laatste gevonden een plaatje van Van der Schleij. Die penningen zijn meerendeels zeer wel getekent, en zeer wel gesneeden, dog waarom is het metaal niet uitgedrukt? De Arsinae is niet de geene dewelke ik gehad heb. De andere Arsinae in Cyphrus geslagen met de K, wel getekent zijnde, zoude teffens ook op dit plaatje wel gevoegt hebben. Versoek te weten wat Uwe voornemen met dit plaatje is. Heeft Uwe het afdruksel laatstmaal aan haar toegezonden ook met hare Grieksche koningen geconfronteert, en voornamentlijk met Ptolemaeus Philopater? Eindelijk versoek nog te weten of Uwe magtig is, of immer gezien heeft het penningje van Ovidius bij Spanheim en elders uitgegeven, en ook in de dissertatie van Masson in de Ovidius van Burman te zien. En of dit penningje op het uitzigt zekre teekenen van egt of onegthijt vertoont. Hebbe de eer met alle achting te zijn en te blijven, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes gehoorsame en ootmoedige dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 21 aug. 1774 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 62-63; Sluis 2017, lettre 12/67, p. 87-88).
-Lettre du 7 novembre 1776 (de Den Haag) : « Wel edle Heer en Vriend, Hebbe eergistren aevond den Onyx wel ontfangen en blijve Uwe dankbaar voor haar aandenken. Ik heb dezelve met alle mogelijke attentie geexamineert, en vermits Uwe van mij vertrouwt, dat ik Uwe daar omtrent genereus zal handelen, zo zal Uwe zeggen dat Uwe voor deze steen op mij kan trekken f 100, wel verzekert zijnde dat nijmand hier te lande op verre na die prijs daar voor zoude willen betalen. Dog also ik met opsigt tot gegraveerde steenen door correspondentie veele gelegenheeden hebbe of om te ruilen, of om door voordeelig koopen, eene nadelige koop te verbeeteren, ben ik beter dan een ander in staat, om altemet voor steenen wat meerder dan een ander te kunnen geven. De ruiling dewelk geprojecteert hadde zal geen voortgang hebben weshalve ik deze steen provisioneel voor mij zal houden. Hebbe de eer met alle agting te zijn, wel edle Heer en Vriend, Uwe ootmoetige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 65; Sluis 2017, lettre 12/78, p. 101-102). +
-Lettre du 4 mars 1780 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Uwe weet dat in de uitgegeven brieven van Cuper pag. 179 en volgende, mentie word gemaakt van een schat gevonden bij Aarnhem in het jaar 1715. Cuper spreekt aldaar van drie goude medaillons, waar van hij twee noemt, te weeten Honorius en Galla Placidia, en die beide zijn in het Cabinet van Z.D.H. en bij Uwe bekent. Ik kan Uwe zeggen dat de derde mede was een Galla Placidia van gelijke groothijt en fatsoen als die van de Prins, egter is de stempel zeer merkelijk anders, ofschoon in het generaal dezelve inscripties en voorwerpen voerende. Zij is beter dan die van Z.H. Uwe heeft nog van mij de onuitgegeven brieven van Cuper, en mij geheugt dat er eene derzelven een medaillon van Galla Placidia is uitgeteekent vrij beter dan in de gedrukte verbeelt staat. Die brief verlang ik gaarne te zien, om te weten of het is de afreeckening van die van de Prins of die van het medaillon waar van ik spreek. Ik zend Uwe hier nevens copije van twee briefjes. Het eerste is gevoegt bij het groote medaillon van Galla Placidia, en het tweede bij een goudpenningje van Gratianus, beide schijnen mij toe te zijn van de hand van Cuper, en ik zoude daar uit besluiten dat Cuper die penning is magtig geworden na het schrijven van zijne bovengemelde brieven aan La Croze. Ik begrijp zeer ligtelijk, Heer en Vriend, welke Uwe aandoening zal zijn op het lezen van dit nieuws. Het is niet onmogelijk dit medaillon magtig te worden, indien Uwe de volgende drie penningen daar voor zoude willen afstaan, namentlijk de Arsinae en de Adelphων Δημων dezelven die ik gehad hebbe, en een goude Pilippus waar van het hoofd ten minste perfect geconditioneerd moet zijn. Zo Uwe daar toe geneegen mogt zijn, zal ik die drie penningen ten spoedigsten wagten, en twijffele niet of zal in staat zijn Uwe als dan het medaillon ten spoedigsten toe te zenden, zo dit volstrekt onmogelijk was, zoude ik Uwe die penningen terstont weder te rug zenden. Ik geef Uwe geen raad, dog weet voor mij, of dergelijk een stuk mij drie doubletten waardig zoude zijn. Wat Uwe hier omtrent ook moge resolveeren, zij gelieve te weten dat een spoedig antwoord op deze ten uitersten noodzakelijk is. Indien ik het medaillon in eigendom bekome, en de ruil geschiedt onder ons beiden op de bovengemelde voet, zal het ons beiden geduurende veertien dagen na de overzending, nog vrij staan dezelve te niet te doen. Buiten het voorgeslagene is niets onder de 80 ducaten te doen, ten zij Uwe van het bewuste schild afstand zoude willen doen, als wanneer ik alle mijne kragten nog zoude inspannen. Hebbe de eer te zijn, met haast, wel edle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 4den maart 1780 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 66-67 ; Sluis 2017, lettre 12/101, p. 132-133).
-Lettre du 6 mars 1780 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Zende Uwe hier te rug de brief van Cuper met de teeckening. Deeze is dezelve die in zijne brieven is uitgegeven, namentlijk die van Zijne Hooghijt en die aan den Baron Spaan heeft toegekoomen, en door derzelfs zoon aan Z.H. is vereert. Het medaillon waar van thans onder ons questie is, heeft het monogrammon Christi ook op de (knie) van het zittend beeld en veele andre kleinigheeden die op de andre niet zijn. Ik twijffel niet of het zijn ridder teekens geweest. Het deed mij ten uitersten leed uit Uwe missive te zien dat Uwe in het geheel de ruil voor de Griexsche medaillons van de hand wijst, en dat Uwe geen woord spreekt van het schildt waar omtrent wij eenige schikking zouden hebben kunnen maken. Hoe het zij, Uwe begrijpt ligtelijk hoe ik te moede was op het aller onverwagtst gezigt van dit unique stuk, en dat ik terstond alle middlen heb in het werk gestelt om te beletten dat hetzelve in andre handen konde komen. Ik ben thans volkomen meester om het magtig te worden, indien ik dit ter uitvoer brenge, zo als ik denk te doen is het medaillon het mijne, en als dan zal ik Uwe als nog de gedaane offertes op het gemoed drukken, met verzeekering dat hetzelve nimmer aan Uwe onder de 80 ducaten zal overgaan, en nimmer aan een ander wie hij ook zijn moge voor enigen prijs ter waereld. Ik ben zedert twee dagen aan de koorts en zwaare hoofdpijn het welk mij het uitgaan belet. Echter kan Uwe verzekert zijn dat daar door de zaak van het medaillon in geen perijkel althoos zal worden gebragt. Hebbe de eer met alle hoogagting te zijn, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 6den maart 1780. N.B. Ik heb vergeten te zeggen in mijn voorgaand dat de Latijnsche woorden onder het tweede briefje van een ander hand zijn als al het overige het welk ik aan Cuper toeschrijve, dog kan abuis hebben » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 68 ; Sluis 2017, lettre 12/102, p. 133-134).
-Lettre sans date (c. 12 mars 1780) (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hebbe Uwes pressante missiven wel ontfangen en ben verwondert dat Uwe zo veel werks schijnt te maken van de Galla Placidia het welk maar een Roomsch medaillon is, en zulks nog maar voor het Laage Rijk, zo als Uwe geliefd te zeggen. Voor mij ik denk daar anders over, en schat dit medaillon zonder vergelijking raarder en van meerder waarde dan de Arsinae en ΑΔΕΛΦΩΝ ΔΗΜΩΝ te samen; en indien dit medaillon zig op een publicque verkooping vertoont had, zoude ik verpligt geweest zijn hetzelve tot 100 halve rijders in te kopen voor het Cabinet, alwaar het eigentlijk zoude behooren. Dog hoe het zij, en om een afkomst van zaken te maken dient deze om Uwe kennis te geven dat ik eindelijk het medaillon in volkomen eigendom hebbe gekreegen, en dat hetzelve thans naast mij op mijn tafel en onder mijn oog legt. Ik zoude van die penning niet gesprooken hebben indien ik niet bij deze gelegenhijt mijne geschreeven brieven van Cuper had moeten inzien, waar van Uwe mij een uitgescheurt blad heeft toegezonden vrij slegt geconditioneerd. En ik hoop dat de ovrige bladen als mede de Index van De Wilde in beter staat, en het laatste haast gecopieert moge zijn. Dog vermits ik van die penning aan Uwe mentie heb gemaakt en wat voorbaarig eene offerte gedaan, zal ik dezelve als nog gestand doen, en ik zal binnen den tijt van zes dagen verwagten de ΑΡΕΙΝΟΗ, ΑΔΕΛΦ ΔΗΜ en Philippus, of 80 gouden ducaten, waar op het medaillon direct zal volgen, of schoon niet met mijn volkomen genoegen. Indien Uwe na de ontfangst van het medaillon rouwkoop zoude mogen hebben is de koop of ruil direct te niet. De voorschr. tijt verloopen zijnde zal ik de penning bewaaren tot zo lang mij eene gelegenhijt zal voorkoomen om dezelve tegen important Griex goud te ruilen. Waar mede blijve altoos, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaeme dienaer. Hemsterhuis. Indien de ruil of koop voortgaat zal mijn naam moeten gesecreteert blijven, want men zoude mij kwalijk konnen nemen de medaillon niet geplaats te hebben bij de twee andren. Nijmand alhier heeft dezelve gezien. (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 69 ; Sluis 2017, lettre 12/103, p. 135-136).
-Lettre du 19 mars 1780 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hier nevens gaat het bewuste medaillon zo spoedig mij zulks doenlijk is, want het is niet goed dat ik dezelve langer beschouwe. Indien Uwe dezelve thans niet had, zoude dezelve tot geene prijs hoe genaamt uit mijne handen gekomen zijn, vermits het een stuk is het welk op zig zelve bestaat en buiten een Cabinet als unicq kan bewaart worden. Ik verzoek ten spoedigsten Uwe gedagten omtrent dit medaillon te weten; en ik twijffel niet of Uwe zal het zelve als een bijzonder cieraad van haare Penningkasse aanmerken. Ik heb het op de beste wijze ingepakt als mij mogelijk was, en denke dat het Uwe wel zal geworden. Blijve met zo veel agting als haast, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, sondag 19 maart 1780 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 70; Sluis 2017, lettre 12/104, p. 136). +
-Lettre du 22 mars 1780 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Deze dient om Uwe kennis te geven dat het bewuste zakje ter zijner tijt wel is aangekomen. Wat de waardij van het medaillon betreft nijmand hier te lande kan daar over beter oordeelen dan wij beiden, en voorzeker kunnen wij daar omtrent niet verschillen van gedagten. Ik had het zelve reeds enige tijt in mijne magt met een vast voornemen om het altoos te bewaaren, dog eindelijk kreeg het vermaak om daar over met Uwe te spreeken de overhand, en deed mij schrijven; maar bemerkende dat Uwe zo vierig naar het bezit van deeze eenige en raare penning zoude zijn dan ik, hebbe ik Uwe een ruil geproponeert van 3 Griexe penningen of van het bewuste schild. Ik heb de gemelde Griexe penningen voorzeker gewagt tot op het oogenblik dat Uwes missive saturdag ontfong. En wanneer ik zag dat Uwe zwaarighijt maakte van aan mij 3 penningen af te staan die Uwe ten minsten drie maal bezit, en zulks voor een stuk dat nimmermeer te bekomen kan zijn, beken ik dat het mij leed deed van eenige prijs te hebben gesprooken. Hoe het zij de zaak is thans afgedaan, en ik feliciteere Uwe met die principaalste penning van haare geheele collectie. Dog indien egter Uwe dezelve niet als zodanig mogte aanmerken, bidde ik Uwe de koop terstont te niet te doen, wanneer ik belove de penning of altoos te zullen bewaaren of nimmer voor dergelijk een prijs aan eenig mensch ter waereld te zullen overlaten. Blijve in afwagting van Uwes weezentlijke gedagten over den penning, met alle agting, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaeme dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, woensdag 22 maart 1780. Uwe kan de schriften van Cuper voortaan als haar in volkomen eigendom toebehoorende aanmerken. (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 71; Sluis 2017, lettre 12/105, p. 137-138). +
-Lettre du 21 décembre 1780 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend! Het was mij ten uitersten leed, dat het overlijden van ijmand in mijne familie en eenige noodzakelijke bezigheeden mij bij Uwed laatste aanzijn in s’ Hage beletten haar te zien waar na ik zeer verlangt had. Wat den inhoud belangt van Uwes twee laatste missiven betreft, namentlijk het dispuut tusschen Uwe en den Heere Vosmaer over eenige manuscripten van De Wilde, het zelve is mij niet onaardig voorgekoomen. Wat het eene manuscript betreft, namentlijk de geschreeven catalogus van De Wilde in 4 deelen in folio met de geteekende fijzels van C. Visser, ik heb het zelve in den jaare 1772 of daar omtrent benevens een goude tetradrachmale siciliaansche medaille, dewelke ik van Uwe tot eene zeer hooge prijs hadde ingeruilt, en nog eenige andre kleenighijt, zo ik mij niet bedriege, gegeeven aan den Heer Vosmaer voor een kleene camée, die zig nog bevind onder de nagelaten steenen van wijlen mijn Vriend den Heere Griffier F. Fagel. Wat het tweede manuscript betreft, het zelve is van een gantsch andren aart en is een Index van Griexe inscriptien op medailles voorkomende in folio met een getekende tijtel van C. Visser. Dit werk, of schoon onvolmaakt, heb ik altoos aangezien als allernuttigst en onbetaalbaar voor den geenen die eenige kennis van de Griexe taal paart met een allergrondigste kennis van oudheeden, en ik ben van voorneemen meer dan eens geweest om dat stuk met ijver te vervolgen, waar in Uwe mij alleen verhindert heeft. Negen of tien jaaren of meer geleeden, wanneer ik aan Uwe de voorschr. Index vertoonde, was Uwe mede zoo zeer overtuigt van de waardije van dezelve, dat zij het mij ten leen verzogt om het voor haar te doen copieeren, hetwelk ik niet konde weigeren aan Uwe, als zijnde de eenige waare kender en liefhebber in het stuk van medailles ten minsten hier te lande. Zedert heb ik nu en dan van tijt tot tijt Uwe wel eens naar mijnen Index gevraagt, dog geen antwoord bekoomen, uitwelk alles Uwe ligtelijk kan begrijpen, dat het mij vreemt is voorgekoomen een dispuut te verneemen tusschen Uwe en den Heere Vosmaer, aan wien van beiden de voorschr. Index waarlijk zoude toekoomen. Dog om kort te gaan, mijn tijt om het gemelde werk te vervolgen is voorbij, en ten anderen weet ik nijmand aan wien dit boek beter zoude kunnen passen dan aan Uwe, weshalve ik Uwe versoeke om het zelve thans van mij tot eene gedagtenis te ontfangen onder voorwaarde, dat, bij aldien ik het zelve eens mogte benoodigt hebben, Uwe mij het zelve ter leen zal toeschikken. Wat de Syrische penning aan den Heere Camper betreft, dezelve heb ik nog niet, en bij aldien Uwe hem kende zo wel als ik, zoude Uwe daar voor zeker zo veel moeite niet om doen. Ik hebbe eenige weeken geleeden in een groote familie onder een 200 slegte Egyptische steenen een goud medailletje gezien van Ptolomaeus Lagus zeer goed niet van de allerkleenste. Heeft Uwe die Ptolomaeus in ’t goud? Ik weet niet of er immer mogelijkhijt zoude zijn, om dit penningkje magtig te kunnen worden. […] Hemsterhuis. De Hr. Schepp die hier is heeft mij wederom vier kleene goude Grieksche medailles vertoont. Hij gaf ze mij lachende over, en ik heb ze met verontwaardiging gezien, dog onder ons gezegt. Zo zoude een minder bedreeven in de oudhijt dan wij zig daar in zeer gemakkelijk kunnen bedriegen. Gelukkig heeft hij de smaak van de teekening van de ouden geheel niet, dog de letters zijn volmaakt. (Huidige verblijfplaats onbekend. – Afschrift in onbekende hand: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 78 E 44. Cat. Jac. Koning. 1833 I, n° 1068 ; Sluis 2017, lettre 12/110, p. 142-144).
-Lettre du 15 janvier 1781 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hebbe Uwe beide missiven van den 12den en 14den dezer benevens de inleggende, die hier te rug gaan wel ontfangen en blijf Uwe dankbaar voor de aangewende moeite. Ik zal gaarn de 5 à 6 exemplaaren van l’Homme etc. op best papier voor f 5-5, en 6 exemplaaren tegens f 2-10 het stuk ontfangen, als mede de Lettre sur les desirs de 6 voor f 25. De verrekijkertjes van den Heer Van Deijl waar van Uwe melt zijn juist de geene dewelke ik verlangde. Zie hier hoe het zig met de Ptolomaeus heeft toegedragen. Eenige weken geleden bij den Heer Nagel edelman van Z.D.H. spijzende, zeide hij mij dat zekre Freule die hij niet noemde een doosje met steenen bezat, en hem versogt had hetzelve aan mij te willen vertoonen. Het doosje wierd gehaalt en ik vond in het zelve 80 à 90 steentjes alle Egyptische en te samen naar mijn begrip f 3 waardig. Onder deeze steentjes bevond zig tot mijne verwondering de kleine Ptolomaeus. Ik wilde mijn verwondering niet openbaeren, dog zeide enkel dat tot mijne leedwezen de steentjes nietwes waardig waaren, dog dat ik voor het penningje nog wel 3 ducaten zoude willen geven, het welk ad notam genomen wierd. Zeedert ziek wordende, zodanig dat ik heeden voor het eerst wederom zal uitgaan, is die zaak alzo gebleeven, dog nu zal ik den Hr. Nagel, die mijn nabestaande is door huwelijk nader spreeken en tragten het penninkje magtig te worden tot zo gering een prijs als mij mogelijk is, en ik zal 6 ducaten bieden. Zo ras ik hier van bescheid hebbe zal Uwe terstont schrijven, en in gevalle van succes, het penningje toe zenden. Hebbe de eer met hoogagting te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 15den jan. 1781 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 72 ; Sluis 2017, lettre 12/111, p. 144-145). +
-Lettre du 21 avril 1781 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Wanneer ik in het begin van februarius naar Munster en Dusseldorp vertrok, alwaar ik twee maanden vertoecht hebbe, liet ik de zaak van de Ptolomaeus desperaat, en des te meer er groote apparentie was dat die penning in handen zou kunnen vallen van Vosmaer. Vrijdag agt dagen te huis komende vond ik Uwes missive en pakje waar voor ik ten hoogsten dank zegge, dog de Memoires van Brussel had ik reeds weshalven daar omtrent Uwes ordres zal afwagten. Vervolgens heb mijn werk weder gemaakt van de Ptolomaeus, met dat succes het geen Uwe ziet. Ze gaat hier nevens, en versoeke door een woord van den ontfangst dezer verwittigt te worden. Hebbe de eer te zijn, in groote haast, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaeme dienaer. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 73 ; Sluis 2017, lettre 12/115, p. 154-155). +
-Lettre du 18 août 1781 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en hoog geeerde Vriend, De brenger deezes is de Heer Maliotti voor lang bij mij bekent, eertijts antiquarius van wijlen den Prins van Conti, uitmuntend kender van gesteentens, antiquitijten en medailles, en zeer waardig om Uwes rijke verzameling te zien. Ook zoude hij ligtelijk van grooten dienst kunnen zijn. Ik neem de vrijhijt Z.E. aan Uwed bij deezen te presenteeren. Wat de goude Ptolomaeus betreft ik heb daar voor aan den Heere Nagel edelman van het Hof ses decaten betaalt. De penning behoorde aan eene Freule van zijne nabestaande en ik vond ze bij geval in een kistje met gegraveerde steenen. Indien Uwe mij geliefd te melden aan wien ik de Memoires van Brussel moet ter hand stellen om ze Uwe in de een of andre baal toe te zenden, zal mij veel vermaak doen. Ik ben versogt bij eene Mevrouw Diodati medailles te zien en te tauxeeren, het welk ik ten Uwen gevalle heb beloofd. De moderne heb ik nagezien dog behelzen nietweg bijzonders. Ik heb reede te denken dat de anticquen niet beter zullen, dog ik zal ze echter zorgvuldig examineeren en Uwe van mijne bevinding verslag doen. Hebbe de eer intusschen met alle agting te zijn, wel eedle Heer en hoog geerde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaeme dienaer. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 74; Sluis 2017, lettre 12/120, p. 161-162). +
-Lettre du 18 juillet 1782 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en hoog-geestimeerde Vriend, Na Uwe dank gezegt te hebben voor haare vriendelijke receptie tot Amsteldam en voor de betaaling van den Heere Van Deijl, zo gaat hier nevens in voldaening volgens ordre eene quitantie van den Hr. Beauregard ter somma van f 102-16- voor Uwe reeckening aan dien Heere op heden betaalt. Ik heb ter zijner tijt wel ontfangen de Goltzius en het penninkje van Pompeus, welk laatste ik terstont uit Uwe naam aan de Prinses van Galitzin hebbe ter handen gestelt. Haare Hooghijt heeft mij gelast Uwe daar voor als mede voor de Alexander van Tenedos en het gezigt van Uwe uitstekende collectie nogmaals hartelijk dank te zeggen en verzekert Uwe neffens den Heer Grave van Furstenberg van haare agting, dankbaarhijt en vriendschap. Indien Uwe eenige antique medailles van welk soort het ook zij dubbeld mogte hebben, kan ik Uwe verzeekeren dat dezelven nimmer beeter kunnen worden besteed dan aan gemelde Princes en Uwe kan zig voor het overige van onze erkentenis verzekert houden. Voor het ovrige vleit de Princes zig van de voldaening Uwer belofte aan haar gedaan. Ik heb haar een gantsche bibliotheek van numismatische boeken mede gegeeven en zal niets spaaren om in haar en haare kinderen de sterke natuurlijke drift voor onze liefhebberij aan te kweeken, zo veel mij doenlijk zal zijn. Na Uwe retour van Brussel zal ik een dag te Amsteldam alleenlijk ten Uwent doorbrengen zonder eenig ander mensch te gaan zien. Intusschen verzoeke van den ontfangst dezer door een lettertje verwittigt te worden en hebbe de eer met alle agting te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes gehoorzaemste. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 75; Sluis 2017, lettre 12/124, p. 168-169). +