Grand document
From Fina Wiki
- Imported from"Imported from" is a predefined property that describes a relation to an <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Import_vocabulary">imported vocabulary</a> and is provided by <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Special_properties">Semantic MediaWiki</a>. dc:description (dc | Dublin Core Metadata Element Set, Version 1.1)
- Has preferred property label"Preferred property label" is a declarative predefined property to specify a <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Preferred_property_label">preferred property label</a> and is provided by <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Special_properties">Semantic MediaWiki</a>.
- Has property description"Property description" is a predefined property that allows to describe a property in context of a language and is provided by <a rel="nofollow" class="external text" target="_blank" href="https://www.semantic-mediawiki.org/wiki/Help:Special_properties">Semantic MediaWiki</a>.
- Original passage from the "Grand document". (en)
- Originalpassage im "Grand document". (de)
Name der Seite. (de)
F
-Lettre du 19 juin 1784 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en hoog geestimeerde Vriend, Feliciteere Uwe met het conquest der penningen van den Hr. Vogel. Indien het alle die geene zijn dewelke ik gezien heb heeft Uwe dezelve goed koop, en dan zijn daar onder, buiten de medaille van Smyrna verscheiden stedepenningen die aan Uwes collectie zelve eenige luister kunnen bijzetten; ten minsten waaren er die welke ik immer gezien had. Ik ben bij den Hr. Vosmaer geweest. Hij heeft de goude tetradrachmale Antiochus ΘΕΟΣ, en goed zonder tegenspraak. Vervolgens liet hij mij 8 goude Grieksche medailles zien van Ptolomaeus, Resciporis, Cotijs etc. meest reedelijk fraei gemaakt. Hij verzogt mij mijne gedagten daar over te zeggen, het welk deed, hem verzeekerende dat ze alle van een hand waren, en dat alle zulke groove fouten hadden in teekening, figuur van letters of Grieksche spelding, dat ze bij mogelijkhijt geen middelmaatig kenner van penningen zouden kunnen bedriegen. Hier op zeide hij dat hij dezelve had gekocht van Schepp, die juist bij geval daar teegenwoordig was. Schepp zeide dat hij ze gekocht of geruilt had van een man van Antwerpen komende, die hij naderhand vergeefs weder had opgezogt en die vlugtig was. Dit is zeker dat Schepp, of schoon thans een van de beste graveurs, op verre na geen kennis genoeg van antiquitijten bezit om dergelijke medailles te kunnen fabriceeren. Ik geloof dat dezelve in Italien gemaakt zijn, en ik moet Uwe onder ons bekennen dat zo een of ander dier penningen mij afzonderlijk was vertoont, ik mogelijk had bedroogen geweest, vermits ik als dan geene genoegzaame oplettenheit zoude gebruikt hebben. De Hr. Vosmaer heeft nog een klein goud steede penninkje van Tauromenium, dat zeer goed is, voorts een kleene Ptolomaeus Lagus zeer goed en fraai, als mede twee a drie kleene goude Carthagenienzers mede goed en van het soort dat Uwe heeft. Dit is alles wat ik Uwe tot nog toe kan melden. Waar mede blijve, wel Ed. Heer en Vriend, Uwes gehoorsaamste dienaer. Hemsterhuis. Vosmaer gaat voor 3 à 4 weeken uit Den Haag » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 76; Sluis 2017, lettre 12/137, p. 194-195).
-Lettre du 11 septembre 1784 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en hoog geestimeerde Vriend, Hebbe met vermaak Uwes welstand vernomen uit de haare van den 26 des afgelopen maand. De Hr. Vosmaer is zedert veele weeken in Gelderland en zal nog eenige weeken uit blijven. Uwe weet dat ik weder in genade bij denzelven Heer aangenomen ben, en ik zal tragten bij mogelijkhijt Uwe die zelve gunst te doen erlangen; voornaamentlijk om reeden dat mij tot dus verre dit het zekerst middel schijnt om de goude Antiochus los te krijgen. Echter kan Uwe staat maken dat zo ras dien Heer te rug gekomen zal zijn, ik niet zal nalaten de beste plans tot ons oogmerk dienende, uit te denken en aan Uwe voor te dragen. Wat de verkoping bij Rey betreft, de plaaten van de Lettre sur la sculpture kunnen mij niet te stade komen. Indien immer mijne werkjes, uitgegeven en onuitgegeven te samen gedrukt worden, zullen er andre plaatjes met enige bijvoegsels benoodigt zijn. Dog hier aan is niet te denken vermits de hachelijke tijden die wij beleeven, en mij meerder occupatien verschaffen dan ik immer verwagt had. Indien Uwe mij voor 3 à 4 ducaten zo veel exemplaren als mogelijk is van de Lettre sur l’homme geliefd te verzorgen, zal Uwe mij veel verpligten of schoon ik denk dat ze alle op gemeen papier zullen zijn. De Lettre sur les desirs werd hier niet meer gezien en ik heb er maar een eenig exemplaar van over, het welk ik wel haast verpligt zal zijn ten besten te geven. Ik kan niet wel gereekent worden onder de auteuren die door hunne werken groote schatten hebben vergadert. Hebbe de eer met alle hoogagting te zijn, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 77 ; Sluis 2017, lettre 12/138, p. 195-196). +
-Lettre du 8 avril 1785 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en waarde Vriend, Het was mij ten uitersten leed eenige weken geleeden te verneemen dat Uwe veele dagen alhier had doorgebragt zonder mij met een bezoek te hebben vereert. Intusschen heb ik alles met voorsigtighijt omtrent de bewuste medaille te werk gestelt, en ben zelf niet buiten hoop; dog echter gelove ik dat het nog alzo gemakkelijk zoude zijn den Hr Vosmaer te beweegen van alle zijne antique medailles af te zien waarover ik hem bereids meermaalen onderhouden heb, en tot dat einde hadde ik wel verlangt om eene vrede tusschen Uwe en hem te bemiddelen, waar door beiden in mijne tegenswoordighijt over het een of ander zoude hebben kunnen over eenkomen. Daar is een medaille voor de Oost Indische Compagnie vervaardigt voor den Hr. De Suffren. Van dezelve is een in het goud geslagen voor dien Heer, drie in het zilver voor Zijne Hoogheid en de Compagnie en drie in het koper voor mij. De stempel die nog bij mij berust werd terstont gebrooken. Een der twee goede kopren zal ik Uwe bij eerste gelegenhijt doen toe komen. Op de derde kopre begaf de stempel zig reeds, weshalven deeze penning voor raar kan doorgaan. Wat nu de Catalogue de pierres gravées etc. betreft, ik heb nimmer in mijn leeven dergelijk een stuk geschreeven, dan alleen een klad voor eigen gebruik, dewelke nog bij mij berust, en een copij dier klad, dewelke benevens de steenen thans bij Mevrouw de Princes van Galitzin werd bewaart. Weshalven ik Uwe vriendelijk versoek dit stuk en de hand van het zelve te examineeren, na de prijs te verneemen, en bij mogelijk mij het gezigt van hetzelve voor een dag te bezorgen. Het zoude mij niet zeer verwonderen indien Uwe bevond dat het Manuscript een Catalogue behelsde van steenen van den Graaf Thoms die in ’s Princen-Cabinet zijn gekomen. Zodanig stuk heb ik geschreeven in een dun ingenaeit foliantje met teekeningen op de kant, en ik herinner mij nu het zelve voor eenige jaaren te hebben geleent aan zeker Heer, die ik echter niet wil verdenken van zo verre gaande indiscretie, zonder daar toe de wettigste reedenen te hebben. Hebbe de eer te zijn met alle agting en waare gevoelens van vriendschap, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaeme dienaer. Hemsterhuis » (Origineel: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 129 A 27; Sluis 2017, lettre 12/144, p. 208-210).
-Letre du 13 avril 1785 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en zeer geagte Vriend, Hier nevens gaat de catalogus in dank te rug. Ik begrijp er niets van. Het eenige het welk mij overblijft, is om Uwe te versoeken bij aldien zij daar toe gemakkelijk gelegenhijt mogte vinden, die catalogue tot f 5 à f 6 te doen inkopen uit eenvouwdige nieuwsgierighijt, of schoon voor zeker dat stuk geene zes duiten waardig zal zijn. Zie hier de medaille van Suffren. Ik heb door dit hoofd de O.I. Maatschappij willen afbeelden. Ik hoop dat Uwe het zelve nog beter zal vinden dan de prent daar na door de Heeren Vinckeles gemaakt. Ten opzigte van de Antiochus Uwe zij versekert dat ik daar omtrent alles zal doen hetwelk voor mij zelf zoude verlangen. Ik wanhoop geenzins en heb gistren weder bezig geweest, dog derve nog van geen geld spreeken uit vreeze voor buitensporighijt. Blijve, met haast, wel edle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedigste. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 78; Sluis 2017, lettre 12/145, p. 210-211). +
-Lettre du 8 juin 1786 (de Den Haag) : «Wel eedle Heer en hoog geagte Vriend, De reeden van mijn zo lang stil zwijgen is niet alleen geweest mijne afweezighijt, maar wel voornamentlijk het veele maanden te huis zitten aan bijkans ondraagelijke pijnen, die mij als nog niet geheel hebben verlaaten. Uwe zij versekert dat ik zelf geduurende dien tijd twintig gelegenheeden hebbe waargenomen om den bewusten Heer tot ons oogmerk te brengen, en Uwe zoude bezwaarlijk geloven welke presenten en ruilingen ik al werkelijk hebbe gedaan, dog altoos zonder vrugt. Drie weeken geleeden heb ik f 180 voor de Antiochus alleen gebooden, en dat bod zedert meermalen herhaalt, dog mede vrugteloos; echter heeft onze vriend mij twee dagen geleeden verlaten, op eene wijze die mij niet alle hoop heeft afgesneeden. Ik bid Uwe mij met de zaak te laten geworden, ten zij Uwe beter agendaris mogte weeten, het welk mij lief zal zijn. Mijn voornemen is de penning magtig te worden het zij hoe het zij, mits geene schreeuwende buitenspoorigheden begaande. Zo ras ik dezelve zal bekomen hebbe, zal ik Uwe terstont oopening doen van het gehandelde, en Uwe zal volstrekt meester zijn de penning te houden, of ze mij te laten naar welgevallen, waar uit Uwe ten minsten zal kunnen oordeelen welke waardije ik op de Antiochus stel in een tijt, dat ik dat soort van zaaken met meer bedaarthijt kan beoordeelen dan wel voorheen. Voor eenige weeken hebbe ik van Uwe hand ontfangen het werk van Rudbek. Hebbe de eer gehad Uwe te zeggen dat ik het zelve van den Heere Van der Borgh uit Zweeden verwagtende ben, echter bidde ik Uwe mij te melden de prijs van dit exemplaar. Voor het ovrige bid ik Uwe van te vertrouwen dat de medaille de onze zal zijn, met de allerminst mogelijke kosten. Geloof teffens dat ik ook nog eene andre reeden hebbe om in deezen geene te grove spoorloosheeden te doen. Hebbe de eer te zijn met alle hoogagting en met den onderlingen ijver die liefhebbers betaamt, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorzaeme dienaer. Hemsterhuis. Ken Uwe de medaille van Augustus met het hoofd van Plato voor ravers, daar Patin van spreekt zo ik mij niet bedrieg? Is dezelve valsch of echt en wat metaal? » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 79 ; Sluis 2017, lettre 12/148, p. 219-221).
Lettre du 24 janvier 1789 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en waarde Vriend, Hier nevens gaan de twee Grieksche medailletjes. De Heer Vosmaer heeft ze mij korte dagen na Uwes vertrek ter hand gestelt zonder ergens van te reppen. Ook was dit een afgedaane zaak, vermits hij volgens eigen zeggen, maar vier ducaten, en mogelijk minder aan Ardasch gebooden had. Mijne onpasselijkhijt, die thans iets schijnt te beeteren, is oirsaak van het uitstel waar voor vergiffenis versoeke. Over het boekje waar in deeze penninkjes zijn zal Uwe binnen kort nader schrijven. Uwe gelieve het aan nijmand te vertoonen, dog bij aldien Uwe verneemen mogt dat hetzelve tot Amsteldam bekent was, versoeke zulks te weeten. Hebbe de eer met alle agting te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 80; Sluis 2017, lettre 12/155, p. 228). +
-Lettre sans date (février 1789 ?) (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Het is mij leed Uwe te moeten melden dat ik zo aanstonds uit de stad moet gaan, en dus het vermaak niet kan hebben Uwe op het Cabinet te zien. Hier nevens een penningje van Granvelle waar van Uwe heeft gesprooken. Gun mij de eer te zijn, Mijnheer en Vriend, Uwes zeer gehoorzame dienaar. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 81-82; Sluis 2017, lettre 12/156, p. 229). +
-Lettre sans date (de ): “Monsieur, mon très honoré Père. J’ai l’honneur de vous envojer deux medailles dont l’une est absolument unique, et l’autre d’une rareté excessive, si non unique. Sur celle d’argent se trouve un autel d’où paroit sortir un serpent avec l’inscription ΙΑΣΩ. Je l’ai eu autrefois de Mr. le Duc de Noya qui l’avoit du Comte Stosch, qui l’avoit de Bianchini. Le Marquis Maffeï l’a donné du cabinet de Bianchini dans une dissertation Verona Illustrata, que je n’ai pas vu, mais il paroit par Gesner qui la cite que Maffei attribuoit cette medaille à un Jason Roi de Carie. Mr. Palevin ni le Comte de Pembroke ont cette medaille. Le premier fait mention de la ville de Jasus en Carie, ce que fait ιασιων ou ιασεων, et effectivement il donne deux medailles en bronze avec ιασεων, mais qui n’ont aucun rapport quelconque avec celles que vous vojez ici. La medaille d’ôr etoit incrustée et entourée d’un anneau d’ôr que je n’ai ôté pour être plus sûr de l’authenticité de ma medaille. Elle a été portée pendant bien long temps dans cet anneau ce qui fait que sa conversation n’est pas aussi parfaite que je souhaiterois bien. Personne n’a jamais parlé de cette singuliere pièce. La tête est exactement la même, de celle en argent. Le revers est un taureau avec l’inscription ΙΑΣΩ ΑΙΣ ce qui signifie sans doute Ιασων Αισωνος. Le monogramme est egalement singulier φ. Je suis faché de ne pas avoir le livre de Nummis antiquis de Hardouin, parce que dans l’Index manuscript de Mr. De Wilde qui contient les mots grêcs qui se trouvent sur les medailles antiques dans notre Bibliotheque, je voit le mot ΙΑΣΩ et il cite Hardouin Nummi antiqui in quarto. Il y a encore une autre façon de lire cette medaille et meilleure peut-être que la precedente sçavoir ΙΑΣΩ ΑΙΣ κληπιου. Pour le monogramme qui paroit avoir du rapport avec celui d’Epidaure, il pourroit convenir aux deux explications egalement. J’ai l’honneur etc. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 42-43 ; Sluis 2017, lettre 12/18, p. 27-28).
-Lettre du 15 déc. 1720 (d’Orléans) : « Je vous suis très obligé des médailles que vous m’avez données, et je vous en remercie de tout le cœur » (Paris, BnF, Fonds français 17710, f° 222r – voir aussi 31 déc. 1720, f° 224r et 20 jan. 1721, f° 226r). +
Lettre du 14 oct. 1699 (de Montauban) : « La suite de votre lettre m’a fait encore plus de bien en me réveillant le goût des médailles » ; réflexions sur les médailles du Bas-Empire qui ne font que résumer celles de Galland dans sa lettre du 20 septembre ; le P. Goudil propose sa collection de médailles à vendre (Abdel Halim, p. 273, n° CX). +
Lettre du 24 avr. 1617 : à propos de la traduction par Schott des Dialogues d’Agustin et d’inscriptions latines (Leyde, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Ms. Papenbroeck 6, fol. 18r; Scheller 1978, p. 73-74). +
'Monsieur, je continueray a vous faire part des petites curiositez que le hazard m’amenera, elles ne viennent ici que quand elles s’egarent, au lieu que c’est a Smyrne que tout va tomber.' (Royal Societ, MS 256/639; Burnett 2020b, p. 571) +
'Je ne receus qu’avant hier les deux lettres que vous m’avez fait l’honneur de m’écrire le 9 et 30 juillet avec L’occo du Comte Mezzabarba qu’il vous a plu de joindre au livre des Medailles grecques de Mr Vaillant. Le premier est une de mes anciennes connoissances, et c’est dans lui que j’ay pris le premier goût des medailles. Il est bon, mais je ne l’ay pas trouvé toujours bien sûr. Graces au secours de vos deux livres dont je suis tres obligé, Monsieur, je suis comme un chasseur muni de deux bons limiers. Il n’est plus question que d’aller battre les bois en faire partir la groye.
Jusqu’a present je n’ay pas eu grand temps a moy pour cela, je ne pourray m’y mettre comme il que d’ici a quelques semaines j’espere vous trouver des medailles de Manie(?). Il y a quelques annêes que j’en avois deux, une grecque de Julia Domna avec au revers les 3 graces nues qui s’embrassoient, et une autre d’un revers assez bizarre mais un peu usé. Je les envoyai alors a Marseille et je croy que Mr Rigord qui les a, s’il plait a Dieu, j’en trouverai d’autres et peut etre plus belles. J’ay laissé a Chio la medaille de Tralles donc vous me parlez, Monsieur. Elle est dans une böette cachetée avec beaucoup d’autres que je n’ay pas prises avec moy, mais que j’ay écrit qu’on m’envoyai par la premier bonne commodité.' (Royal Society, MS 256/640; Burnett 2020b, p. 613) +
-Lettre du 27 novembre 1684 (de Paris) : « Je crois vous avoir parlé d’une autre petite Accademie qui est établie depuis peu pour les médailles (medalles), laquelle est composée de Mr Charpentier [7] et de Mr l’ abbé Tallement le jeune [8], qui, comme vous savez, sont aussi de l’Académie française ; de Mr Rainssant médecin de Reims [9] qui a la garde des médailles du Cabinet du Roi, de Mr de La Chapelle [10] controlleur des bâtiments, et de Mr Vaillant [11]. Ces Mrs s’assemblent tous les jeudis chez Mr de Louvois, l’hiver dans son hôtel de Paris, et l’été dans son château de Meudon. Quoique Mr Moret ne soit pas de cette Académie, à cause de sa rel(igion), il ne laisse pas de s’y trouver presque toujours. Son nom ne vous doit pas être inconnu puisqu’il a fait imprimer depuis peu un assez gros livre latin des médailles [12]. On dit que tous ces Mrs ont dessein de mettre toute l’histoire du Roi en médailles » (MacKenna, lettre n° 356). +
-Lettre du 1 mai 1686 (de ?) : se plaint que parmi les médailles grecques envoyées par Galland « il y a quelques-uns qui sont fort frustes » ; « je vous prie d’avoir soin d’en envoyer le moins que vous pourrez de celles-là » (Paris, Service Historique de l’Armée de Terre, A1 765, f° 15 ; Sarmant 1994, p. 57, note 119). +
-Lettre du 18 octobre 1683 (de Versailles) :« Je reçois dans ce moment la lettre que vous avez pris la peine de m’écrire hier matin, par laquelle j’ai été bien aise de voir que vous soyez arrivé en bonne santé et que vous soyez content de votre chaise. Vous ne vous êtes pas trompé lorsque vous avez dit au sieur Rinssan (nb : Rainssant) que je lui ferai toucher deux mille francs par an qui sont sur l’état des bâtiments, que je le nourrirai lui et un laquais, et que je le voiturerai partout lorsque le roi marchera. L’appartement que je lui donnerai [est] à Versailles, pour le loger avec sa femme, s’il le veut, car je n’ai point à lui en donner à Paris, qu’une chambre très petite pour le temps que j’irai. Il peut venir ici quand il voudra, et je vous serai fort obligé de m’avoir donné un bon médecin et un homme de bonne compagnie. J’ai vu aujourd’hui un homme qui, me disant beaucoup de bien de lui, m’a assuré que, quand je n’en aurais pas besoin, il pourrait encore panser mon vin quand je serais malade, à quoi l’on dit qu’il se connoit en perfection. (...) » (Paris, Service Historique de l’Armée de Terre, A1697, f° 344 ; Sarmant & Masson 2007, lettre n° 172, p. 64). +
-Lettre du 2 septembre 1684 (de Versailles) : « J’ai reçu votre lettre du premier de ce mois. Vous pouvez dire à M. le commandeur de Gaut qu’il a la liberté de vendre ses médailles ou non pour le Cabinet du roy, mais que, s’il veut les vendres, il faut que ce soit au prix qu’il les a laissés à Mons(eigneur) de Reins. » (Paris, Service Historique de l’Armée de Terre, A1717, f° 40 ; Sarmant & Masson 2007, lettre n° 437, p. 152). +
-Lettre du 26 juillet 1684 (de Versailles) : « Votre lettre du 24e de ce mois m’a esté rendue. J’ai vu la médaille que vous m’avez adressée. Comme il y en a une pareille au Cabinet du roy, je ne ma prendray point, mais lorsqu’il vous en viendra d’autres, vous me ferez plaisir de me les envoyer et, si elles sont dignes d’entrer dans le Cabinet de S.M., je les ferai payer ponctuellement ce qu’elles seront estimées. » (Paris, Service Historique de l’Armée de Terre, A1, 715, f° 615 ; voir Th. Sarmant et R. Masson 2007, lettre n° 416, p. 146).
Il pourrait s’agir d’une médaille moderne, mais voir infra, lettre 419. +
-Lettre du 11 août 1684 (de Versailles) » J’ai reçu avec votre lettre du 6e de ce mois les médailles que vous m’avez envoyées.Comme il ne s’en est trouvé qu’une et une petite monnoye qui ne fussent point dans le Cabinet du roy, je vous renvoye les autres. Si vous en recouvrez d’autres, vous me ferez plaisir de me les adresser, observant d’empescher qu’on ne les nettoye, parce que cela les gaste. » (Paris, Service Historique de l’Armée de Terre, A1, 716, f° 67 ; voir Th. Sarmant et R. Masson 2007, lettre n° 419, p. 147). +
-Lettre du 28 août 1684 (de Versailles) : « J’ai reçu avec votre dernière lettre les médailles qui y estoient jointes. Comme il n’y en a point qui méritent d’entrer dans le Cabinet du roy, je vous les renvoye pour les remettre à ceux à qui elles appartiennent. » (Paris, Service Historique de l’Armée de Terre, A1, 716, f° 420 ; voir Th. Sarmant et R. Masson 2007, lettre n° 432, p. 150). +