This is only a TEST WIKI! The live FINA Website and Wiki can be found here: https://fina.oeaw.ac.at

Grand document

From Fina Wiki

Name der Seite. (de)

Showing 20 pages using this property.
F
-Lettre du 6 février 1758 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en hoogst geestimeerde Vriend. Voor de voorleden week hebbe de vrijhijt genoomen Uwe toe te zenden het geld zo voor de penningen als voor het boek van Pembroke, en dewijl hetzelve met een extraordinaire wagen is gegaan, ben ik niet zeker of het bij Uwe tijdig ontfangen is, zo ja verzoeke ik ten spoedigste in couvert het reeckeningetje der penningen te rugge, alzo hetzelve hier benoodigt hebbe. Hoope in de andere week geleegenhijt te hebben Uwe de afdruksels der zegels te doen toekomen en geeve mij de eer in tusschen te zijn, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes onderdanige en gehoorzame dienaar. Hemsterhuis. s’ Hage, den 6den febr. 1758 ; met haast (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 19 ; Sluis 2017, lettre 12/12, p. 23).  +
-Lettre du 1 janvier 1759 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en zeer geestimeerde Vriend Ik blijve Uwe ten uitersten verpligt voor het zenden van de catalogue, en nademaal ik niet zeker ben of mij enigzins moogelijk zal zijn over te komen zoude ik gaarn profiteren van Uwes zo vriendelijke offerte om mij eenige penningen over te zenden. Ik zoude alleenlijk de volgende verlangen te zien. Pag. 1 N°. 1 6”42, 9”82, 10”90 en 91, 13”129, 16”157, 26”378. Indien Uwe mij dezelve met de pak schuit morgen avond geliefde te addresseeren tot Leiden ten huize van den Professor Hemsterhuis op het Rapenburg, zoude ik ze Uwe met de pakschuit van saturdag avond of ten aller uitersten sondag avond van daar wederom konnen toezenden. Het heeft mij zeer verwondert maar eene medaille van Cuma te vinden vermits mij voorstaat Uwe van drie haddet gesproken. Zo Uwe het nog tijdig denkt mij de voorn. penningen toe te zenden, en er eenig steentje was, het welk Uwe waardig oordeelde die te verzellen, zal ik hetzelve mede inwagten. Waar mede de eer hebbe te zijnde mijn Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorzame dienaar. Hemsterhuis. s’ Hage, den 1 jan. 1759. P.S. Zo Uwe het verzenden te laat vind, verzoeke ik de Cuma en de Ephezen voor een ordentlijke prijs, bij aldien goed zijn. De Hr. D. Smit heeft de steenen van den Heere Valtravers gekocht, en ook reeds consideerabel gebooden voor die van Stosch" (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 20-21 ; Sluis 2017, lettre 12/13, p. 23-24).  +
-Lettre du 6 janvier 1759 (de Leyde) : « Wel eedle Heer en hoog geestimeerde Vriend. Ik ben Uwe ten uitersten verpligt voor de gegeven advertentie nopens de conditie der medailles en neme de vrijhijt Uwe teffens te verzoeken om de Alexander bij aldien maar 5 guldens of daar omtrent boven het goud mogte gelden, voor mij te kopen, dog de Cuma tot zulken prijze als Uwe oirbaar zal oordeelen, nademaal mij die ontbreekt van goede conditie, gelijk mede de kopre Murina. Blijve met haast, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes onderdanige en gehoorsame dienaar. Hemsterhuis. Leiden, den 6 jan. 1759 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 22 ; Sluis 2017, lettre 12/14, p. 25).  +
-Lettre du 12 janvier 1760 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend ; Hier nevens Uwes inscriptien zo spoedig mij doenlijk geweest is, benevens een pakje hetwelk de Heer Varon mij verzogt heeft om in te sluiten. Zende Uwe hier neffens de teeckeningen van medailles waarvan wij te meer malen gesprooken hebben en die mij voorstaan dat Uwe begeert hadde nader te bezien. Ik hoop binnen drie, vier à vijf weeken tot Amsteldam te komen; indien Uwe intusschen de goedhijt hadde van mij de Demetrius en zo Uwe eenig ander Griex medaillon dubbeld mogte hebben, per postwaagen spoedig toe te zenden, zoude Uwe mij om reedenen zeer verpligten. Hebbe wederom een brief van Natter uit Londen gehad waar bij hij mij een nader afdruk zend van zijne gravure met de naam van ΔΑΛΙΩΝ of ΑΛΛΙΩΝ. Hij wil dezelve voor 100 guinées verkopen en zegt den heere De Smette daarover geschreeven te hebben. Ik wenschte wel dat die steen hier te lande kwam, en zo de minoritijt van den Prins mij niet verhinderde was ze voorzeker onder mijne beheering. Vaarwel mijn Heer en Vriend, hebbe de eer met alle agting te zijn, Uwes gehoorzaamste dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 12 jan. 1760 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 23-24; Sluis 2017, lettre 12/15, p. 25-26).  +
-Lettre du 20 août 1760 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en zeer geestimeerde Vrind. Aanstaande saturdag zal ik zekerlijk tot Leijden zijn en hoope Uwe daar te zien. Vervolgens denke sondag uchtent naar s’ Hage te retourneeren, alwaar ik mij vleje dat Uwe het middagmaal ten mijnent zal nemen om verder den dag op het Cabinet te konnen doorbrengen. Waarmede blijve, wel eedle Heer etc., Uwes gehoorzaame en onderdanige dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage den 20 aug. 1760. Recommandeere de doubletten aan Uwe gunstigen aandagt. (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 25 ; Sluis 2017, lettre 12/16, p. 26).  +
-Lettre du 29 novembre 1762 (de Den Haag): “Wel eedle Heer en zeer geestimeerde Vriend Uwe schrijve het aan mijne drukke bezigheden toe dat ik haar niet eerder hebbe dank gezegt voor zo vele genooten vriendelijkheden geduurende mijn verblijf tot Amsteldam. Ik hebbe de eer het zelve bij dezen te doen met belofde van alle mogelijke vergelding bij alle gelegenhijt. Zoude hier nevens eerstelijk de zilvre steede penning van Tenedos, voorts de singuliere Abraxas te zien onder de Gemmae Selectae van De Wilde no. 116 en wijders vijf goude penningen van Vespasianus, Hadrianus, Antonius Pius, Theodosius en Honorius. Eindelijk de Index van Griexe inscriptien op medailles van De Wilde en bidde Uwe dezelve eens naauwkeurig na te zien, om haare gedagten te weeten of dergelijk een werk tot perfectie gebragt zijnde, niet ten aller uiterste nuttig voor de numismatici zoude zijn. Wat de Elzeviers editien belangt dezelve hebbe nog geen tijd gehad om na te zien en uit te zoeken dog zal ze zenden zo ras zoo ras de Tentamina zal ontfangen hebben. Ik hebbe mijne cataloge der namen van anticque graveurs nog eens naar gezien, dog tot nog toe niet in staat bevonden om Uwe te werden toegezonden. Over de bewuste Otho zal Uwe schrijven zo ras des aangaande eenige zekerhijt bekome. Indien Uwe die duistre Griexe inscriptie eens naar Leiden konde zenden, zoude men zien of er wat van te maken was en dezelve Uwe met den uitslag van de rechêrches te rugge zenden. Uwe houde mij verzekert van de onveranderlijken ijver waar mede de eer hebbe te zijn, haare ootmoedige en gehoorzaamste dienaer. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 28-29 ; Sluis 2017, lettre 12/20, p. 30-31).  +
-Lettre du 8 février 1763 (de Leyde) : « Wel eedle Heer en waarde Vriend. Onder ons gezegt, werd de waare Otho van De Wilde, en mijns bedenkens de beste die immer in eenig Cabinet gepronkt heeft volgens de advertentien in de Courant agter de bibliotheecq van neef van Brakel verkocht. Om met Uwe openhartig te werk te gaan, zal ik haar zeggen, dat ik om Uwent wille geen bod op dezelve zal doen, ten zij den Prins daar van kennisse kreeg en met deeze penning zijne collectie wilde verrijken, het geen ik echter geenzins geloven of vermoeden kan. En zo zulks al waare zoude Uwe daar spoedig van verwittigt zijn. Indien Uwe nu aan een of ander (want het zelve moet voorzeker buiten mij geschieden) commissie geeft tot de inkoop van de Otho verzoeke ik zulks per missive te mogen weten, om als dan absent te zijn, want in cas Uwe van de penning mogte afzien, zoude ik daar voor zeker op bieden. Nog moet Uwe zeggen, dat ik geloof dat de penning vrij hoog zal gaan, of schoon ik eertijts die familie des weegens tot reedelijke sentimenten heb zoeken te brengen, verbeelden zij zig echter daar aan een schat te bezitten. Ik derve Uwe wijders raden om bij aldien de prijs alle maat te boven ging, dezelve te laten lopen, vermits ik zeker ben dat de penning als dan zal komen in handen waar uit zij door mij het zij bij ruiling, koop of dwang binnen korten tijd zal zijn te krijgen en zo ras zij in mijne handen zal zijn is zij volgens onwederroepelijke belofde in de Uwe in het vast vertrouwen dat Uwe die Roomsche weldaad, met Grieksche zal tragten te vergelden. Zie daar waarde Vriend openhartig alles het geen ik in de zaak in questie weet te zeggen. Het wenschelijkste voor mij in deze zaak was Uwes overkomst, vermits Uwe als dan de penning zelf kan zien en voorts overleggen het geen te doen staat. Ik verwagt voor vast een lettertje Uwe voornemen te verstaan, vermits ik bij mangel van antwoord of in cas dat Uwe van de Otho afzag voor mij f 80 of f 100 ten minsten zoude bieden om ze als dan uit oude kennis te bewaaren. Ik blijve altoos, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes gehoorzame en ootmoedige dienaer. Hemsterhuis. Leiden, den 8 febr. 1763 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 30-31 ; Sluis 2017, lettre 12/21, p. 31-32).  
-Lettre du 27 avril 1763 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en waarde Vriend. Gistren aevond te huis komende vonde Uwe missive. De brenger derzelve die ik niet kenne en zig niet genoemt heeft is tot nog toe niet bij mij geweest. Dog zo dra zig vertoont zal ik hem volgens Uwe ordre de f 82-16- betalen. Ik hebbe het tegenswoordig zeer druk en te zeer om Uwe de defecten van de Bossuit te melden, of liever dezelve op te zoeken, alsmede om thans de Elzeviers uit te zoeken die hier en te Leiden verstrooit zijn. Wat het boek van Froëlich belangt volgen de verzeekering saturdag van mijn boekver kooper ontfangen is het zelve tegenwoordig op rijze. Dog Uwe kan zig verzekert houden van mijn exemplaer indien hetzelve al niet mogt te krijgen zijn. Uwe zal mij ten uitersten verpligten indien zij mij aanstaande saturdag morgen tot Leiden wilde verzorgen de steedepenningen van d’Henneri, vermits ik als dan tijt zal hebben mij daar in te diverteeren. Hoe staat het met het Iter Siculum? Tot nog toe hebbe het cabinet van de Graaf van Wassenaer niet gezien. En dewijl ik altoos zeer wel bij de Heeren van dat huis ben geweest, geeft het mij een zeer kwaad vermoeden van die collectie het welk ook door particuliere berigten zeer bekragtigt werd. Uwe schrijft mij nietweg van de Griexe Index der penningen van De Wilde of schoon ik haare gedagten op dezelve gevraagt hadde. Uwe kan dezelve op haar gemak zulks willende doen copieeren, dog zo Uwe dezelve mogte amplieeren hebbe ik eenig regt op die ampliatie. Hebbe de eer te zijn, wel edle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorzaame dienaer. Hemsterhuis » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 32-33; Sluis 2017, lettre 12/22, p. 32-33).  +
-Lettre du 1 novembre 1763 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en zeer geestimeerde Vriend. Deze dient alleenlijk om Uwe te vragen of de Vitruvius van den Marquis Poleni staat uit te komen of dat dezelve reeds in het ligt is, en bij aldien het laatste waar mogte zijn, langs welke weg hetzelve op het spoedigste zoude zijn te bekomen. Ik hebbe te zijner tijt de Overbeek waar voor Uwe verpligt ben, wel ontfangen, en vind dit vrij importanter werk dan het nieuwe van den Fransch man te Romen. De plaat die in het werk van Bossuit manqueert is no. 14. Uwe gelieve mij bij gelegenhijt eens te melden hoe veel en welke Grieksche goude penningen zig bij d’Orville bevinden, en wanneer die collectie staat verkocht te worden. Onze Vosmaer zit nagt en dag in de penningen dog onder ons wenschte wel om zijne en {onzent} wille dat hij nimmer daar op gevallen was. Want vinde het bij uitstek lastig ijmand te helpen in een liefhebberij waar toe hem alle kennisse ontbreeken die tot dezelve betrekkelijk zijn. Ik hebbe geen antiquitijten opgedaan dog wel onlangs een ijvoore group van Michel Ango die mij dier komt te staan, dog wel waardig is aan de groothijt zijns makers. Hebbe de eer te zijn, wel eedle Heer en hoog geestimeerde Vriend, Uwes zeer onderdaanige dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 1 nov. 1763 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 34-35 ; Sluis 2017, lettre 12/27, p. 39).  +
-Lettre du 20 décembre 1763 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend. Indien mij niet bedriege heeft Uwe mij het Iter Siculum van den Hr. Burman belooft terstont te versorgen, echter hoore dat het zelve reeds eenige weeken het licht heeft gezien weshalven bidde ten spoedigsten een goed exemplaer te mogen ontfangen het zij gebonden of ongebonden, dog liever bij mogelijkhijt half gebonden. Uwe begrijpe lichtelijk de groothijt van mijn verlangen. Mij geheucht de tijt niet dat onze antiquarius Vosmaer mij van penningen gesproken heeft dat hoop ik van duur mag zijn. Hebbe de eer te zijn gelijk altoos, Uwes ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 20 dec. 1763 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 36 ; Sluis 2017, lettre 12/28, p. 40).  +
-Lettre du 22 avril 1767 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer, Ik hebbe ter zijner tijt de penningen van Antiochus wel ontfangen en vinde dezelve zeer wel van conditie, dog Uwe zal zig herinneren dat de afspraak mede bragt van twee doubletten van Kooningen. Ik twijffle zeer of Uwe wel zo raar een penning als de Smintheus voor twee doubletten, welke ze ook zijn mogen, zoude afstaan. Hoe het ook zij, wij zullen die zaak wel vereffenen en ten Uwen genoege want de waare reeden dat van de Smintheus ben afgestapt is geweest om een einde te maken van een onaangename breuk in onze vriendschap die meer veroirsaakt is door kwaadaardighijt van anderen als door wezentlijke zaken. Ik denk in het einde van deze of van de volgende week tot Amsteldam te komen en zal dan met een Heer of twee de eer hebben Uwe te bezoeken in hoop dat Uwe ons een gedeelte haarder penningschat zal gelieven te vertoonen. Ik zal mede brengen een goud en zilver penningje met IΑΣΩ daar gaarne Uwe gedagten over zoude verneemen. Ik ben Uwe zeer verpligt voor het koopen der boeken op de auctie van Neaulme dog het is mij leed dat ik Uwe niet kan bezorgen de dubbelde van de Tamerlan vermits ik dezelve niet gekocht hebbe voor mij, maar in commissie voor de Heer Walrave praedicant te Warmond die daarvan niet kan afstaan zo hij zegt vermits het een ook in commissie is. Weet Uwe ook waar de penningen van La Court van Leijden, tot Amsteldam gebleeven zijn? Hebbe de eer volmaaktelijk te zijn, wel eedle Heer, Uwes ootmoedige en gehoorzame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 22 april 1767. Zal Uwe het fransch comedie boekje daar de Antiochus in gekomen is bij gelegenhijt te rug bezorgen. (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 38-39 ; Sluis 2017, lettre 12/35, p. 46-47).  +
-Lettre du 16 octobre 1768 (de Den Haag) : "Vosmaer heeft weder penningen opgedaan, alle prullen, uitgenomen een zilver medaillon van Nero zo groot als de gemeene koper penningen van de eerste groote en ongetwijffelt echt. In hope dat Uwe bereids een half dozijn goude Arsinöes zal bekomen hebben, en mij derhalven wel 2 à 3 zal willen overdoen, hebbe ik de eer met alle agting te zijn, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 16 oct. 1768. Zijn de steenen agter de Catalogue van Tolling ietwes waardig? Heeft Uwe mij de brieven van Cuper MS gevraagt, of niet? » (München, Bayerische Staatsbibliotheek, H 12 1276 ; Sluis 2017, lettre 12/39, p. 52).  +
-Lettre du 23 octobre 1768 (de Den haag) : « Uwe begrijpe ligtelijk dat ik teffens met vermaak zal zien de helfd van het doublet van Eupator zo dezelve wel geconditioneerd is. Deze penning is zo raar niet als alleen wanneer ΕVΠΑΤΟΡΟΣ vol uit staat, en om dat Haym het eerst aan de liefhebbers het vermoeden schijnt ingeboezemd te hebben dat deeze penningen uit de van ΦΙΛΟΠΑΤΗΡ zouden geformeert zijn het welk zeer zigtbaar zoude wezen alzo geen E uit Λ te maken is, en zo dezelve uit de O zoude vallen, zoude het dusdanig een zijn, daar ik egter niet gelove dat bij de Syrische Koningen voornamentlijk in dien tijt een ander als deze E werd gevonden. Heeft Uwe immer gezien het kopre medaillon van onzen Antiochus het welk Froelich uit Vaillant geeft? Vosmaer heeft mij veel vertelt van penningen die in Gelderland die bij de Heeren Van Heekeren en Cannegieter, en in Utrecht bij den Hr. Van Goens te zien en te bekomen zouden zijn, dog Uwe weet welke staat te maken zij op dien Vriend zijne penningkunde. De brieven van Cuper zal Uwe bij gelegenhijt bezorgen, en wat de groote geschreeven catalogue van De Wilde betreft dezelve is nog bij den voorn. groote numismaticus. Hebbe de eer met alle hoogagting te zijn, wel eedle Heer en waarde Vriend, Uwe onderdanige en gehoorsame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 23 oct. 1768 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 40-41 ; Sluis 2017, lettre 12/40, p. 53-54).  +
-Lettre du 27 novembre 1768 (de Den Haag) : «Wel eedle Heer en Vriend. Hebbe Uwe missive benevens den Eupator en Lysimachus wel ontfangen te zijner tijt, en ik zoude niet hebben nagelaten Uwe te schrijven en teffens dank te zeggen voor haare moeite met opzigt tot het boekje van Commines, bij aldien niet eenige onpasselijkhijt mij hadde verhindert, en bij aldien ik niet van week tot week een kort reisje naar Amsteldam hadde gedagt te bepalen. De reden dat deeze onverzelt is van de brieven van Cuper en het ovrige is dat ik nog hoop binnen twee à drie weeken twee dagen tot Amsteldam te zijn, waar van ik hoop dat Uwe mij een zal gelieven te gunnen om de rijkste penning kasse van Europa zorgvuldig te doorzien. Ik zal een dag of twee voor mijn overkomst de vrijhijt nemen Uwe bij missive oorlof en tijt te vragen. Ik heb aan Vosmaer de kopre Lysimachus vertoont dog evenwel is Z.E. met zijn goude gelukkiglijk te vreden. De stempel is anders, echter is de goude niet echt. In goude penningen behaagt mij niets minder dan eene tetradrachmale stempel te zien op een geringer gewigt metaal als 4 drachmen. Dit was voorzeker bij de ouden niet gebruikelijk in het goud, zelfs niet in het zilver. Daar en boven is het hoofd van Lysimachus om den hoorn altoos een voorwerp van navolging voor de jonge stempelsnijders geweest. Hebbe de eer met volmaakte agting te zijn, wel eedle Heer en Vriend Uwes ootmoedige en gehoorsame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 27sten nov. 1768 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 44; Sluis 2017, lettre 12/41, p. 54-55).  +
-Lettre du 27 avril 1770 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend. Hebbe gisteren met moeite en kosten bekomen een klein goud penningje van Panormus, van de grootte van Uwe Ptolomaeus. Aan de eene zijde vertoont zig het hoofd van Arethusa, en aan de andre een staand paerdje dat omziet. Het verschilt van het goude penningje bij Paruta uitgegeeven. Daar is een klijn gaatje doorgeboort, dog het paardje is geheel zuiver. Het penningje is ongetwijffelt echt en komt van Tripoli en het zelve is zo wel geconditioneert als mogelijk is. Indien Uwe voor het zelve de wedergade in zilver van mijn goud medaillon geliefd te geven zal ik zulks doen of schoon de raarhijt van die beide bijzonder veel verscheelt. Indien ik de ΚΟΡΑΣ sondag uchtent per post ontfange zal Uwe maandag het kleine penningje ingelijks per post geworden zonder faut, en bij aldien Uwe de ruil vervolgens mishaagt zal ze wederom binnen drie dagen te niet gedaan zijn. Indien Uwe mogt benoodigt het dikke en kleene gouden penningje van Constantinus Pogonatus zal ik hetzelve teffens afstaan voor de Syracusische penning waar in ik zo veel het russisch meende te zien, namentlijk dat waar op het hoofd van Arethusa met een laurier kroon verciert was. In verwagting van een lettertje tot antwoord op sondag alzo Vosmaer mij daanig over deeze penningjes aan boord is, heb ik de eer met alle agting voor Uwe persoon, en met alle liefde voor hare penning kasse te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorzaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, vrijdag 27 april 1770 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 45 ; Sluis 2017, lettre 12/50, p. 69-70).  +
-Lettre du 10 mai 1770 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hier nevens zende Uwe zo spoedig doenelijk de valsche ΚΟΡΑΣ en het penningje van Syracuse met de hartelijke groetenis van den Heere Griffier Fagel; waar mede de eer hebbe volmaakt te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorzame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 10den maij 1770 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 46; Sluis 2017, lettre 12/51, p. 70).  +
-Lettre du 25 septembre 1770 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Neme de vrijhijt Uwe hier nevens een billetje te zenden van den Heer Feijt houdende een commissie dewelke Z.E. mij versogt heeft bij mogelijkhijt door Uwe ter uitvoer te brengen, en waar op ik Uwe gunstig antwoord zal inwachten. Ik zoude bereids voor lang op Uwe laatste waar bij Uwe begeert het Griexe kleene Siciliaansche penningje over te nemen geantwoord hebben bij aldien den Hr. Gaillard niet tegens belofde zonder waarschouwen vertrokken was. Dit pennigje met de kleine Poyonatus en nog een latre Keijzer komt op 3 Rijders à f 12. Indien Uwe dezelve nog wilde overnemen zoude Uwe die somme voor mij aan Van der Schleij kunnen betalen. Ik zoude de penningjes hier in gesloten hebben bij aldien ik zeker wist dat Uwe zig thans tot Amsteldam bevind. Onze vriend Vosmaer koopt nog steeds, dog heeft nietweg zonderling opgedaan. Ik verlang de progressen van Uwe te verneemen en neem des te meer deel in dezelven vermits mij onze laatste gesprekken nog niet zijn uit het hoofd gewaait. Hebbe de eer met alle agting te zijn, wel edle Heer en Vriend, Uwes gehoorsaamste dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, 25 sept. 1770 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 47; Sluis 2017, lettre 12/52, p. 71).  +
-Lettre du 28 septembre 1770 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Hier nevens gaan met alle spoed de drie bewuste penningjes gepakt in een boekje dat Uwe nog toekoomt. Indien het pakje niet bereids geslooten was zoude ik in het zelve nog een rijder steken die ik Uwe schuldig blijve tot in november. Vermits ik mij herinner Uwe valschelijk 3 rijders te hebben opgegeven daar ik zeer zeker maar twee aan den Dominé hebbe betaalt. Ik verzoek berigt van den ontfangst dezer en blijve, in haast, wel ed. Heer en Vriend, Uwes gehoorzaamste. Hemsterhuis. s’ Hage, 28 sept. 1770 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 48 ; Sluis 2017, lettre 12/53, p. 72).  +
-Lettre du 4 avril 1772 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Zal Uwe aanstaande dingsdag met ongeduld verwagten. Om Uwe de regte waarhijt te zeggen met opzigt tot de drie fraeje silvre steede penningen met ΤΕΡΙΝΑΙΩΝ, ΚVΜΑΙΩΝ en ΚΑVΛΟΝΙΑΤΑΝ, dezelve behooren in eigendom aan mij vermits ik die bij eene zeer bijzondre gelegenhijt ben magtig geworden. Indien Uwe dezelve zoude willen hebben absolut, zal ik ze afstaan voor twee goude penningen die Uwe eertijts van mij hebt ingeruilt en aan Uwe van geenen dienst altoos zijn. Naamentlijk de gouden Theodora of Rosenobel waar mede ijmand groote dienst kan doen, en de goude ΔΙΟΝVΣΟV ΣΩΤΗΡΟΣ die zonder enigen twijffel valsch is. Wat het goude stede penningje betreft hetwelk Uwe mede ten mijnent heeft gezien het zelve behoort aan den Heer Fagel die binnen korten meerder medailles verwagt. Indien Uwe in de negotiatie met den Heer Du Temps zig meester konde maken van een Cornalijn waar op aan een slaaf den doorn uit de voet wordt getrokken, of van het fragment door gem. Heer van den Heer Fagel ingeruilt; dog wel voornamentlijk van de eerste, sta ik Uwe borg dat alle negotiatie met den Heer Griffier voortaan volkomen na Uwes genoegen zal uitvallen. In de vaste verwagting van Uwe aanstaande dingsdag te zien hebbe ik de eer te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uws ootmoedige en gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 4den april 1772 » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 49 ; Sluis 2017, lettre 12/55, p. 73-74).  +
-Lettre du 9 avril 1772 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Ik herinner mij geene van de penningen van den Heere Dutens dan alleen van Lacedaemon, Messina in en uitwendig en Selinunte, ik weet echter zeker dat in het pacquet het welk ik neevens Uwe gezien hebbe, zig tien à twaalf medailles bevonden dewelke ik des noods in ijvriger tijden gaarn voor 6 à 8 ducaten per stuk zoude gekocht hebben. Ik heb de houding en de physionomie van den Heer Duttens naeuwkeurig nagedagt, en ik geloof dat Uwe veilig zoude kunne negotieeren over het pacquetje medailles het welk dien Heer aan Uwe en aan mij gezamentlijk heeft vertoont, zonder te vrezen dat hij daar omtrent enig bedrog zoude willen pleegen, en in gevalle van ja, zoude hij echter te veel vermoeden van ons geheugen, dan dat hij eene laaghijt zoude derven begaan van dit pacquet te ontluisteren. Uwe melt mij in haare voorgaande dat de Heer Duttens zoude genegen zijn zig van alle zijne Griexe medailles te ontdoen. In dat geval hebbe ik niet nodig Uwe te zeggen wat haar raden zoude. Uwe weet dat bij aldien ik immer in de gelegenhijt kwame van eene weezentlijke versameling van penningen magtig te worden, de menigte van Griexe penningen voor mij juist de koop niet verminderen zoude. Nietweg meerder hebbende om Uwe te melden zo geve mij de eer te zijn, wel eedle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige gehoorsaame dienaer. Hemsterhuis. s’ Hage, den 9den april 1772. Ik geloof nogmaals dat Uwe zoude kunnen negotieeren over het pacquet door Uwe en mij gezamentlijk gezien » (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 50; Sluis 2017, lettre 12/56, p. 74-75).  +